Jeugd Olympische Spelen
Eenmaal in de hoofdstad is het op straat een drukte van jewelste. Er zijn drommen mensen op de weg, die kriskras door elkaar rijden. Hordes geel zwarte taxi’s doorkruisen toeterend de drukte, terwijl ze slalommen tussen volgepropte busjes met mensen, wagens voortgetrokken door magere paarden, pruttelende scooters en rennende mensen met spullen op hun hoofd. De laatste dagen was ik in Dakar, Senegal, op zoek naar medische contacten ter voorbereiding op de Jeugd Olympische Spelen, die het land volgend jaar aandoen, en liet m’n zintuigen prikkelen.

Met de taxi reed ik van ziekenhuis naar ziekenhuis, vaak met swingende Wolof muziek uit de speakers, terwijl moskeeën op de achtergrond opriepen tot gebed. Het doel hiervan was het vinden van geschikte medici, die ons Jeugd Olympisch team bij calamiteiten zorg kunnen bieden. Alle gesprekken moesten in het Frans, want al snel was duidelijk dat alleen een enkeling Engels spreekt. En omdat ik al helemaal het lokale Wolof niet sprak was Frans daarmee de taal. Was ik even blij dat ik op school nog een beetje had opgelet! Dat “nanga def” hoe is het betekent en “jerejef” dankjewel dat ging nog wel, maar verder was het Wolof, voor mij in ieder geval, hogere wiskunde.
Rondneuzen
Op weg naar de ziekenhuizen zag ik door het taxiraam blije kinderen rennen achter een autoband, klimmen op zelfgemaakte speeltoestellen en voetballen op zandvelden, waarbij ze truukjes van hun helden naspeelden. Ook kon ik zien dat er vlaggetjes en sjaals van Senegal werden verkocht, extra populair omdat het land het zo goed doet bij het voetbal van de Africa Cup.
Zónder vlaggetje, maar mét wat TeamNL kleding als cadeau bezocht ik ziekenhuizen en neusde rond, soms met toestemming van de directeur en soms ook zonder. Maar om te zeggen dat ik daarbij niet opviel als enige Europese persoon, dat viel te betwijfelen. Mijn conclusie was in ieder geval: fijn dat Dakar een prima gezondheidssysteem heeft, maar wat mogen we toch blij zijn met dat van Nederland. Ondanks dingen die bij ons beter kunnen, laten dit soort buitenlandse bezoeken je dat weer keer op keer beseffen.


Laatste dag
Op de laatste dag, toen de medische Rolodex was gevuld, ging ik naar het strand van de wijk N’Gor. Een visserswijk, vanuit waar een eiland vlakbij kan worden bezocht en waar mensen kunnen surfen en duiken. Het strand was bezaaid met prachtig beschilderde vissersboten en de golven klotsten rustig op het strand. Vissers vertelden me dat ze eindelijk weer meer vis vingen door nieuwe afspraken, die overbevissen door buitenlanders in de wateren rond Senegal moesten tegengaan. Ondanks dat de maatregelen pas 6 maanden geleden waren ingegaan was het effect nu al zichtbaar, wat ze me trots toonden in hun mooi versierde boten; de inktvis ‘lachte’ me tegemoet.
Ze vertelden ook dat van hun opbrengsten van het vissen 1/4 naar de gemeenschap ging en dat 3/4 voor de visser zelf was. Rond de boten voetbalden kinderen en liepen kuddes schapen. Deze schapen werden elke vrijdag grondig in zee gewassen om ze te beschermen tegen parasieten. “Nanga def” kon ik hier met “ma ni fi” (het gaat goed) beantwoorden, want al deze indrukken waren bijzonder.


Medische 06-jes
Geladen met inzicht in het zorgsysteem van Senegal én geschikte medische 06-jes op zak ging ik na enkele dagen weer op weg naar huis. Jongens verkochten langs de weg vuurwerk om het naderende Nieuwjaar in te luiden en her en der werd er al wat afgestoken. Stoffige lucht van de Harmattan (woestijnstof uit buurland Mauritanië) dwarrelde rond en de residentie van de tweede vrouw van de president lag er vredig bij. Wauw, wat een stad, dacht ik. En laat “Waaauw” in het Wolof nou net “ja!” betekenen.


